NLFR
Yachtman - Stuurbrevet - ICC - Marifonie - SRC/GMDSS

Errata en aanvullingen

leerboek Stuurbrevet
ed. 2020 - klik hier
leerboek Stuurbrevet
ed. 2021
 - klik hier 
oefenboek Stuurbrevet
ed. 2020
 - klik hier
leerboek Yachtman
ed. 2020
 - klik hier
oefenboek Yachtman
ed. 2022 - klik hier
leer- en oefenboek VHF / SRC
ed. 2020 - klik hier
   

Leerboek Stuurbrevet - editie 2020

Pag 25, 1.4.9: laatste regel

Vervangen door “Het dagmerk is een groene bol, voor zowel een vrijvarende als voor een niet-vrijvarende veerpont”

Pag 31, 1.5.7: vervang tekst in het grijze blok door:

Een sleepboot moet tonen
de twee boordlichten;

1 toplicht;
één extra toplicht, loodrecht onder het reeds aanwezige toplicht op het voordek;
een geel sleeplicht.

Het gesleepte schip moet tonen
een rondom zichtbaar wit licht;

indien de sleep >110m, dan twee rondom zichtbare lichten, één op het voordek en één op het achterdek;
het laatste schip van een sleep toont ook een heklicht.

Pag 34, 1.5.15: regel 6

vervangen door “Een drijvend werktuig is een schip, maar toont geen vaarlichten”

Pag 34, 1.5.15: middelste tekening: wit licht rechts verwijderen.

Pag 78, 3.1.3: stroomopwaarts

“ter hoogte van de Royerssluis” vervangen door
“het verlengde van de lijn getrokken door de twee richtingspalen gelegen op ongeveer één kilometer stroomopwaarts van het zuidelijk uiteinde der kaden van Antwerpen”

Pag 80, 3.2.2: kolom1, in onderste grijze kader: laatste 2 regels schrappen.

Pag 113, 2° kolom, vraag 2. Comines vervangen door Menen.

Pag 152, 2° kolom: “HW Ramsgate = 13u02 + 0u20 = 13u22”

Pag 181, 1° kolom: bijvoegen: CPA = Closest Point of Approach en tCPA = time to CPA.

Pag 202, 1.2.2: 4° paragraaf

Op het noordelijk halfrond geldt dan:
Rond een kern van lage luchtdruk L, waait de wind spiraalsgewijs naar de kern en tegen de wijzers van de klok.
Rond een kern van hoge luchtdruk H, waait de wind spiraalsgewijs van de kern weg en volgens de wijzers van de klok.

Aanvulling EHBO - AED

Een Automatisch Externe Defibrillator is een draagbaar toestel dat een elektrische schok aan het hart toedient bij levensbedreigende hartritmestoornissen. De AED analyseert het hartritme van het slachtoffer en bepaalt automatisch of een stroomstoot het slachtoffer kan helpen. Het gebruik van de AED geeft ruim 70% meer kans op overleven bij een plotse dood. Het toestel geeft gesproken instructies. Het helpt u door de reanimatie tot professionele hulpverleners het overnemen.

Wie mag een AED gebruiken?

Sinds 2007 mag iedereen een AED-toestel categorie 1 gebruiken. Vele jachthavens hebben intussen een AED.

Is een AED veilig?

Het toestel bepaalt volledig autonoom of een elektrische schok het slachtoffer kan helpen. Kan een schok niet helpen, dan schokt het toestel niet. Het is onmogelijk om het toestel verkeerd of onnodig te gebruiken. Een schok wordt gegeven op het moment dat de hartkamers snel en chaotische bewegen.

Hoe gebruikt u een AED?

De meeste toestellen hebben maar één of twee knoppen: één om het toestel aan te zetten en een tweede om een elektrische schok toe te dienen.

Zodra de AED geactiveerd is, stuurt de adviesstem de hulpverlening. De eerste adviezen zijn altijd: ‘Alarmeer de hulpdiensten’ en ‘Ontbloot de borstkas van het slachtoffer’.

Zodra de borstkas van het slachtoffer ontbloot is, brengt u de twee zelfklevende elektroden aan. De huid is bij voorkeur droog en onbehaard. De AED vraagt om het slachtoffer niet meer aan te raken en begint met een automatische analyse van het hartritme.

Als de AED levensbedreigende hartritmestoornissen vaststelt, zal hij een stroomstoot door het hart toedienen. Dit wordt ook defibrilleren genoemd. Bij sommige toestellen moet u dit zelf doen door op een knop te drukken.

Een stroomstoot kan het normale ritme van het hart herstellen, zodat het bloed weer door het lichaam gepompt wordt.

Daarna is hartmassage en beademing altijd nodig. Ook dat zegt het toestel. Na twee minuten reanimeren analyseert de AED opnieuw het hartritme om te zien of er nog een schok nodig is. Zo gaat u door met reanimeren en defibrilleren tot hulp ter plaatse is.

Examenvragen AED

Welke uitspraak over een AED is juist?

A. Het gebruik van een AED geeft 70% meer kans op overleven bij plotse dood.

B. De positie van de elektroden is niet zo belangrijk als het hart er maar tussen ligt.

C. Het gebruik van een AED is enkel toegelaten voor hulpverleners met een speciale opleiding.

D. Als het slachtoffer op een natte straat ligt, mag de AED absoluut niet worden gebruikt om elektrocutie te vermijden.

Wanneer geeft een AED een schok?

A. In alle gevallen waar de AED vaststelt dat het slachtoffer geen hartslag meer heeft.

B. Enkel wanneer de AED vaststelt dat het slachtoffer een bepaald type hartritmestoornis heeft.

C. Enkel wanneer de hulpverlener op een knop drukt, laadt de AED op maar vuurt dan altijd een schok af.

D. Na een vast ingestelde tijd (standaard op 2 minuten) na het aanschakelen van de AED.

Wanneer geeft een AED een schok af?

A. Als het hart helemaal stilligt.

B. Als het hart af en toe een slag overslaat.

C. Als de hartkamers heel snel en chaotisch bewegen.

D. Bij het inschakelen van het toestel

Welke stelling is juist bij het aanbrengen van de elektroden van een AED op de borstkas van een slachtoffer?

A. U verliest geen tijd met het verwijderen van lichte kleding (zoals een t-shirt), plakt de elektroden en drukt ze met twee handen goed aan.

B. U plakt de elektroden bij voorkeur zo dat ze elkaar raken zodat de stroom beter geleidt.

C. U plakt de elektroden op een blote, droge en een onbehaarde huid.

D. U maakt de elektroden voor het plaatsen goed vochtig.

Welke uitspraak over een AED is juist?

A. Het gebruik van een AED geeft 100% meer kans op overleven bij plotse dood.

B. De positie van de elektroden is belangrijk.

C. Het gebruik van een AED is enkel toegelaten voor hulpverleners met een speciale opleiding.

D. Als het slachtoffer op een natte straat ligt, mag de AED absoluut niet worden gebruikt om elektrocutie te vermijden.

 

Aanvulling EHBO – stabiele zijligging

Als voorlaatste punt: bijvoegen

“Kantel het hoofd voorzichtig achteruit en draai de mondhoek naar beneden (zeer belangrijk).”

Aanvulling EHBO – brandwonden

Geef een slachtoffer met zware brandwonden niets te eten of te drinken.

Er is een verschil in eerste hulp tussen een brandwonde door hete thee of door een bijtende stof.
Een brandwonde door een bijtende stof moet u langer koelen/spoelen en u moet uzelf extra beschermen.

Een bemanningslid heeft de hand verbrand door hete stoom bij het afgieten van de aardappelen.
Spoel en koel extra onder eventuele ringen. Verwijder deze indien mogelijk.

Bij een verbranding van het oog door accuzuur,  spoelt u het oog met lauw stromend water.

Aanvulling EHBO – shock

Een grote verbrande oppervlakte, ernstige diarree, braken kunnen oorzaken van shock zijn.

Bij shock voelt de huid koud en klammig aan.
Het slachtoffer is bleek, zweet en voelt zich onrustig, slap en krachteloos.

Rillen bij shock is niet goed, want het lichaam verbruikt zuurstof en die is hard nodig voor de vitale organen.

Welk verbandmateriaal gebruikt u bij voorkeur bij een gesloten brandwonde? Witte watten.

Hoe legt u een zwachtelverband aan? In  de richting van de vingers of tenen naar het hart toe.

Waaruit bestaat een snelverband (ook noodverband of drukverband genoemd)?
Een zwachtel en een absorberend kompres.

Een slachtoffer klaagt over een licht gevoel in het hoofd, ziet wazig, trilt en zweet. Als u met het slachtoffer praat, reageert die geagiteerd. Deze symptomen duiden op een lage bloedsuiker.

Na contact met een kwal uit de Noordzee spoelt u de huid met zeewater en dompelt ze dan onder in warm water (max 45 graden).

Een bemanningslid valt met de borstkas op de kuiptafel. Controleer of het slachtoffer goed reageert en normaal ademt.

De dag voor u ging varen heeft u een stevige natuurwandeling gedaan. Aan boord stelt u vast dat een teek zich heeft vastgebeten in uw kniekuil. Trek de teek recht uit de huid, bij voorkeur met een speciale tekentang.

U legt u een bewusteloos slachtoffer met een open borstletsel (zonder voorwerp in) op de gewonde kant.

Na een val van een trapje kan een slachtoffer de linker enkel niet meer bewegen. De enkel is pijnlijk en gezwollen, steunen op die voet is niet mogelijk. Dit duidt op een kneuzing, een botbreuk of een ontwrichting.

Bij een open zuigende borstwonde (zonder voorwerp in de wond) drukt u met uw handen (handschoenen!) op de open wonde.

Een bemanningslid is vier meter diep uit de mast gevallen. Laat het slachtoffer liggen zoals u die vindt.

Controleer of het slachtoffer reageert en normaal ademt. Vermijd beweging van hoofd en hals indien het slachtoffer zich hier niet tegen verzet. Alarmeer gespecialiseerde hulp.

Bij een vermoeden van hersenschudding laat u het slachtoffer rustig zitten en blijft u het slachtoffer goed observeren.

Als iemand een stuk van een vaatwastablet heeft ingeslikt en u niet onmiddellijk gespecialiseerde hulp kan raadplegen, spoel dan de mond met water.

Als een stuk glas nog in een wonde zit laat u de glasscherf zitten en verbindt de wonde voorzichtig zonder druk op de glasscherf.

Een bemanningslid wordt ziek. Wat doet u eerst? Het slachtoffer naar midscheeps brengen.

  

Aanvulling aanmeren in een sluis met zijwind

Als u  een sluis met hoge muren binnenvaart kan een forse dwarswind u parten spelen. U vaart een sluis in waarvan de muren 6 meter hoog zijn. Er staat een harde wind van stuurboord. Welk effect heeft de wind op uw schip als u in de sluis vaart? Doordat de wind aan de wand wordt teruggekaatst zal die op het schip op de bakboordkant invallen. U wordt naar stuurboord geblazen.

  

Aanvulling brandbestrijding

Met een schuimblusser kun je A en B branden blussen. De blusser is gevuld met water en schuim, een substantie die voor een verkoelende werking zorgt. Doordat het zo licht is van gewicht is schuim zeer geschikt om vloeistofbranden te blussen omdat het erop blijft liggen, en bij vaste stoffen blijft schuim eraan plakken om op die manier ook de verbrandingsreactie weg te nemen door afsluiting van zuurstof. Het is niet schadelijk voor het milieu.

De sproeischuimblusser is een variant op de schuimblusser en is geschikt om apparatuur onder spanning van maximaal 1000 V te blussen. Veel schuimblussers zijn tegenwoordig al sproeischuimblussers. Schuimblussers zijn er ook in vorstbestendige varianten. Er bestaan speciale vetbrandblussers op basis van schuim.

Voordelen schuimblusser ten opzichte van poederblusser

Vrijwel geen nevenschade.

Gemakkelijk opruimen met water.

Kleine kans op herontsteking.

Te gebruiken op personen.

Nadelen schuimblusser ten opzichte van poederblusser

Niet geschikt om gasbranden (C) mee te blussen.

Duurder in aanschaf.

Niet vorstbestendig.

 

Het aantal brandblussers dat aan boord moet zijn wordt vermeld in de handleiding van de constructeur van het schip.

 

Brandpreventie      

Elektrische installatie

Zorg ervoor dat de elektrische installatie zwaar genoeg is om kortsluiting te vermijden. Slechte elektrische verbindingen hebben een grote weerstand. Daardoor kunnen ze warm worden en kan de isolatie smelten. Dit kan kortsluiting tot gevolg hebben.

Om de elektra aan boord te beschermen tegen kortsluiting heeft u zekeringen nodig. Met zekeringen voorkomt u brand door kortsluiting  en onherstelbare schade aan de apparatuur.

 

Aanvulling buitenboordmotor

Een verkeerde mengverhouding kan blijvende schade veroorzaken wegens oververhitting.

 

Examenvragen motoren

Wat is een beluchter?

De beluchter (anti hevel-unit ) is ontworpen om hevelen te vermijden, wat zich voordoet indien de motor  gemonteerd is onder de waterlijn, of de waterinjectie in het uitlaatsysteem lager ligt dan 15 cm boven de waterlijn. De beluchter moet worden geplaatst op een veilige hoogte boven de waterlijn.

Wat is dit onderdeel?

A. De beluchter.

B. De wierfilter.

C. De thermostaat.

D. De waterpomp.

beluchter
 

Errata

Leerboek Stuurbrevet - editie 2021

Pag 31, 1.5.7: vervang tekst in het grijze blok door:

Een sleepboot moet tonen

de twee boordlichten;
1 toplicht;
één extra toplicht, loodrecht onder het reeds aanwezige toplicht op het voordek;
een geel sleeplicht.

Het gesleepte schip moet tonen

een rondom zichtbaar wit licht;
indien de sleep >110m, dan twee rondom zichtbare lichten, één op het voordek en één op het achterdek;
het laatste schip van een sleep toont ook een heklicht.

Pag 152, 2° kolom: “HW Ramsgate = 13u02 + 0u20 = 13u22”

EHBO – stabiele zijligging

Als voorlaatste punt: bijvoegen

“Kantel het hoofd voorzichtig achteruit en draai de mondhoek naar beneden (zeer belangrijk).”

Brandwonden

Geef een slachtoffer met zware brandwonden niets te eten of te drinken.

Er is een verschil in eerste hulp tussen een brandwonde door hete thee of door een bijtende stof.
Een brandwonde door een bijtende stof moet u langer koelen/spoelen en u moet uzelf extra beschermen.

Een bemanningslid heeft de hand verbrand door hete stoom bij het afgieten van de aardappelen.
Spoel en koel extra onder eventuele ringen. Verwijder deze indien mogelijk.

Bij een verbranding van het oog door accuzuur,  spoelt u het oog met lauw stromend water.

EHBO – shock

Een grote verbrande oppervlakte, ernstige diarree, braken kunnen oorzaken van shock zijn.

Bij shock voelt de huid koud en klammig aan.
Het slachtoffer is bleek, zweet en voelt zich onrustig, slap en krachteloos.

Rillen bij shock is niet goed, want het lichaam verbruikt zuurstof en die is hard nodig voor de vitale organen.

EHBO – allerlei

Welk verbandmateriaal gebruikt u bij voorkeur bij een gesloten brandwonde? Witte watten.

Hoe legt u een zwachtelverband aan? In  de richting van de vingers of tenen naar het hart toe.

Waaruit bestaat een snelverband (ook noodverband of drukverband genoemd)?
Een zwachtel en een absorberend kompres.

Een slachtoffer klaagt over een licht gevoel in het hoofd, ziet wazig, trilt en zweet. Als u met het slachtoffer praat, reageert die geagiteerd. Deze symptomen duiden op een lage bloedsuiker.

Na contact met een kwal uit de Noordzee spoelt u de huid met zeewater en dompelt ze dan onder in warm water (max 45 graden).

Een bemanningslid valt met de borstkas op de kuiptafel. Controleer of het slachtoffer goed reageert en normaal ademt.

De dag voor u ging varen heeft u een stevige natuurwandeling gedaan. Aan boord stelt u vast dat een teek zich heeft vastgebeten in uw kniekuil. Trek de teek recht uit de huid, bij voorkeur met een speciale tekentang.

U legt u een bewusteloos slachtoffer met een open borstletsel (zonder voorwerp in) op de gewonde kant.

Na een val van een trapje kan een slachtoffer de linker enkel niet meer bewegen. De enkel is pijnlijk en gezwollen, steunen op die voet is niet mogelijk. Dit duidt op een kneuzing, een botbreuk of een ontwrichting.

Bij een open zuigende borstwonde (zonder voorwerp in de wond) drukt u met uw handen (handschoenen!) op de open wonde.

Een bemanningslid is vier meter diep uit de mast gevallen. Laat het slachtoffer liggen zoals u die vindt.

Controleer of het slachtoffer reageert en normaal ademt. Vermijd beweging van hoofd en hals indien het slachtoffer zich hier niet tegen verzet. Alarmeer gespecialiseerde hulp.

Bij een vermoeden van hersenschudding laat u het slachtoffer rustig zitten en blijft u het slachtoffer goed observeren.

Als iemand een stuk van een vaatwastablet heeft ingeslikt en u niet onmiddellijk gespecialiseerde hulp kan raadplegen, spoel dan de mond met water.

Als een stuk glas nog in een wonde zit laat u de glasscherf zitten en verbindt de wonde voorzichtig zonder druk op de glasscherf.

Een bemanningslid wordt ziek. Wat doet u eerst? Het slachtoffer naar midscheeps brengen.

  

Aanmeren in een sluis met zijwind

Als u  een sluis met hoge muren binnenvaart kan een forse dwarswind u parten spelen. U vaart een sluis in waarvan de muren 6 meter hoog zijn. Er staat een harde wind van stuurboord. Welk effect heeft de wind op uw schip als u in de sluis vaart? Doordat de wind aan de wand wordt teruggekaatst zal die op het schip op de bakboordkant invallen. U wordt naar stuurboord geblazen.

  

Brandbestrijding

Met een schuimblusser kun je A en B branden blussen. De blusser is gevuld met water en schuim, een substantie die voor een verkoelende werking zorgt. Doordat het zo licht is van gewicht is schuim zeer geschikt om vloeistofbranden te blussen omdat het erop blijft liggen, en bij vaste stoffen blijft schuim eraan plakken om op die manier ook de verbrandingsreactie weg te nemen door afsluiting van zuurstof. Het is niet schadelijk voor het milieu.

De sproeischuimblusser is een variant op de schuimblusser en is geschikt om apparatuur onder spanning van maximaal 1000 V te blussen. Veel schuimblussers zijn tegenwoordig al sproeischuimblussers. Schuimblussers zijn er ook in vorstbestendige varianten. Er bestaan speciale vetbrandblussers op basis van schuim.

Voordelen schuimblusser ten opzichte van poederblusser:

Vrijwel geen nevenschade.
Gemakkelijk opruimen met water.

Kleine kans op herontsteking.
Te gebruiken op personen.
Nadelen schuimblusser ten opzichte van poederblusser
Niet geschikt om gasbranden (C) mee te blussen.

Duurder in aanschaf.
Niet vorstbestendig.

Het aantal brandblussers dat aan boord moet zijn wordt vermeld in de handleiding van de constructeur van het schip.

 

Brandpreventie      

Elektrische installatie

Zorg ervoor dat de elektrische installatie zwaar genoeg is om kortsluiting te vermijden. Slechte elektrische verbindingen hebben een grote weerstand. Daardoor kunnen ze warm worden en kan de isolatie smelten. Dit kan kortsluiting tot gevolg hebben.

Om de elektra aan boord te beschermen tegen kortsluiting heeft u zekeringen nodig. Met zekeringen voorkomt u brand door kortsluiting  en onherstelbare schade aan de apparatuur.

 

Registratie

U installeert een nieuwe motor aan boord van uw schip. Dan moet u een nieuw registratiedocument aanvragen.

 

Stroom en wind tegen

Indien de wind met de getijstroom mee loopt vlakt deze het water af. Het wordt als het ware gestrekken.
Bij wind tegen de getijstroom krijg je een knobbelige zeetje omdat de wind de golven opduwt.
Op de grote rivieren of langs de kust kan dit de beslissing om uit te varen beinvloeden, zeker voor kleinere boten.

Golven hebben in het midden van een geul de volle stroom tegen. Aan de randen stroomt het water veel langzamer. Hierdoor buigen de golven af naar het midden. Het gevolg is dat in het midden van de geul veel hogere en steilere golven voorkomen, die niet passend zijn bij de heersende windkracht.

De Schelde ligt voor Antwerpen in de noord-zuidrichting. Ca. 30 minuten na HW kentert de stroming en gaat richting Nederland, richting noord lopen. Dit gedurende ca. 6 uren. De eerste 3 uren neemt de stroomsnelheid toe, bereikt 3 uur na kentering een maximum en gaat dan de volgende 3 uren terug afnemen. Hoe laat vaar je daar best niet als het om 10 uur HW is? Er staat een noordenwind, 6 Beaufort.

HW = 10 u, kentering = 10u30. Om 13u30 is de stroming richting zee, richting noord, het grootst. Een noordewind komt uit het

noorden, waait naar het zuiden. Het is wind tegen stroom.
Om 13u30 zullen er de steilste en grootste golven zijn.

Plaatsbepaling - gegist bestek

Een gegist bestek maken is bepalen waar we zijn na een tijd varen.

Gegeven: de richting waarin het schip vaart: de voorligging.

Gevraagd: om de beweging van het schip te tekenen in de kaart: de grondkoers.

Oplossing

We hebben te  maken met twee gelijktijdige bewegingen:

de beweging van het schip in het water;

de beweging van de stroom over de grond.

Dit resulteert in een beweging van het schip over de grond.

Een beweging wordt voorgesteld als een vector. En een vector wordt voorgesteld door twee getallen:

de richting van de beweging;

de grootte van de beweging.

We noemen de beweging van het schip: “bootvector”.

We noemen de beweging van de stroom: “stroomvector”.

De bootvector wordt gegeven door WKw voor de richting en V voor de snelheid in het water. We noteren dit als (WKw ; V).

De stroomvector wordt gegeven door D voor de richting en v voor de stroomsnelheid. We noteren dit als (D ; v).

De beweging van het schip t.o.v. de grond WKg is een samengestelde beweging.

Stel dat eerst het water stil staat (er is geen stroom) en dat het schip alleen beweegt in het water. Deze enkelvoudige beweging kan door één vector worden voorgesteld.

Vervolgens draaien we de klok 1 uur achteruit en laten de tijd opnieuw lopen. Het schip ligt stil in het water en laat het water nu maar stromen. De stroom is ook een enkelvoudige beweging die door één vector wordt voorgesteld. 

Deze twee enkelvoudige bewegingen na mekaar uitvoeren heeft hetzelfde effect als de gelijktijdige beweging van schip en stroom. We moeten dus twee pijltjes tekenen op de zeekaart. De tweede pijl begint daar waar de eerste stopt. Dit noemen we de som van twee vectoren.

Wij varen in een richting van ca. 140° met een snelheid van 5 kn. De stroming is ca. 50°, snelheid 2 kn.

Teken uit de beginpositie D de stroomvector, pijl S.

Teken vanuit het eindpunt B de bootvector WKw. WKg is de werkelijke weg die u heeft afgelegd over de grond.

Beide vectoren gaan voor eenzelfde tijdspanne, hier één uur. Na één uur varen zitten we in GB, dit is het gegist bestek.

Let op wanneer de oefening gaat over bv. 45 minuten.

Bepaling van de sturen koers

Of beter gezegd: de voorligging van het schip.

U moet van een vertrekpunt A naar een doel (haveningang) varen. Als het schip zijn lengteas richt naar het doel, dan zal het schip, wanneer de stroom dwars inkomt ook dwars met de stroom worden meegenomen en zal uiteindelijke in punt C belanden.  Het schip heeft in werkelijkheid als koers over de grond de lijn A-C gevolgd. Wil het schip de haven binnenvaren dan moet het over de grond de koerslijn A-B volgen. Het schip moet tegen de stroom sturen om het wegzetten te compenseren.

Gegeven: De koers over de grond WKg.

Gevraagd: Het schip moet die volgen. Welke richting in het water moeten we gevolgen?

We vatten de constructie samen.

Verbind vertrekpunt (D) met doel (V).

Teken vanuit D de stroomrichting S = 60°.

Pas hierop de stroomsnelheid (bijvoorbeeld) 2mijl af. Dit geeft punt C.

Neem de passeropening gelijk aan de scheepssnelheid ca. 7 mijl.

Teken een cirkelboog, met middelpunt C en straal 7 mijl. Snijpunt S is ons richtpunt. Daar zouden we zijn na één uur varen.

Meet met de plotter de richting C-S. Dit is WKw, de te sturen richting.

Vermits de tekening bewegingen voorstelt voor één uur is de snelheid = afstand.

Klassieke blunder

Velen gebruiken als richtpunt het doel V zelf. Waarschijnlijk omdat men denkt daar naartoe te moeten. Deze constructie dient om de richting te bepalen om op de grondkoers te blijven. We varen zo vanzelf wel voorbij ons doel (de Varne).

Het richtpunt S kunnen we ook als volgt interpreteren. Het is het punt waar we na één uur varen zullen zijn.

Omdat dit richtpunt S voorbij het doel V ligt, betekent dit dat we ons doel zullen bereiken op minder dan één uur varen.

 

Oefenboek Stuurbrevet - editie 2021

Vragen Beperkt Stuurbrevet

pag. 12 en 13: vragen 37 t/m 45: Vervang “werktuiglijk voortbewogen schip” door “motorschip”.
pag 13: vraag 49: antwoord C (niet D)
pag 13: vraag 50: antwoord C (niet B)
pag.14: vraag 66: de volledige vraag vervangen door:

      Over welk soort schip gaat het?
      A. Een sleep, vooraanzicht, bestaande uit twee sleepboten met lengte onbekend.
      B. Een sleep, vooraanzicht, bestaande uit één sleepboot.
      C. Een sleep, vooraanzicht, bestaande uit twee sleepboten met lengte korter dan 40 meter, lengte van de sleep onbekend.
      D. Een werktuiglijk voortbewogen vaartuig van minder dan 110 meter lengte, voor anker.

pag.14: vraag 67: de volledige vraag vervangen door:

      Over welk soort schip gaat het?
      A. Een sleepboot die alleen sleept, varend naar rechts.
      B. Een motorschip, dat waarschuwt voor gevaar voor golfslag.
      C. Een sleepboot die alleen sleept, varend naar links.
      D. Een sleepboot die met in totaal twee sleepboten werkzaam is.

pag.14: vraag 68: de volledige vraag vervangen door:

      Over welk soort schip gaat het?
      A. Een sleepboot die alleen sleept, varend naar links.
      B. Een vissersschip van korter dan 50 meter, bezig met de treilvisserij.
      C. Een sleepboot die alleen sleept, varend naar rechts.
      D. Een sleepboot, die met in totaal twee sleepboten werkzaam is

pag 15: vraag 69: antwoord D (niet A)
pag 15: vraag 70: antwoord B (niet C)
pag 17: vraag 97: antwoord A (niet B)
pag 18: vraag 110: de vraag vervangen door: “De duwboot die meerdere duwbakken, die samen breder zijn dan de duwboot,  duwt, voert ’s nachts”
pag 19: vraag 133: antwoord B (niet D)
pag 20: vraag 140: antwoord A (niet B)
pag 26: vraag 6: antwoord B (niet D)
pag 31: vraag 83: de antwoorden moeten vervangen worden door:
      A. 11,00 meter.
      B. 11,80 meter.
      C. 11,90 meter.
      D. 11,40 meter.

pag 31: vraag 88: vervang antwoord C door “zich zo snel mogelijk naar een aanlegplaats begeven”
pag 32: vraag 97: antwoord B (niet C)
pag 33: vraag 6: antwoord A vervangen door “U behoudt koers en vaart”
pag 39: vraag 84: antwoord C (niet A)
pag 53: vraag 154: antwoord D (niet C)
pag 53: vraag 161 schrappen
pag 54: vraag 10: de tekst van B vervangen door “Een schip mag in een sluis worden afgemeerd aan alleen de voorsteven of alleen de achtersteven.”

pag 106: vraag 04: antwoord D vervangen door: “De richting naar de bron toe”.

pag 107: vraag 19: antwoord C (niet D)
pag 107: vraag 22: antwoord C (niet B)
pag 107: vraag 23: de tekst van C vervangen door “In stroomatlassen.”
pag 114: vraag 86: antwoord A (niet B)
pag 114: vraag 94: antwoord C (niet D)
pag 114: vraag 99: antwoord C (niet D)
pag 123: vraag 26 vervangen door
U vaart van opwaarts van de sluis te St. Baafs-Vijve naar afwaarts van de sluis te Menen. Hoeveel meter bent u over dit traject gestegen?

Zie de Scheepvaartkaart in de bijlagen.
      A. 2,12 meter.
      B. 4,51 meter.
      C. 3,83 meter.
      D. 2,18 meter.

pag 124: vraag 33: antwoord A (niet B)
pag 168: vraag 59: vervang “snelle motorboot” door “niet-snelle motorboot”.

pag. 124: vraag 37 vervangen door
U vaart van afwaarts van de sluis te Menen naar afwaarts van de sluis te Ooigem. Hoeveel hoogteverschil is er overbrugd? Zie Scheepvaartkaart in de bijlagen.
      A. 3,62 meter.
      B. 3,83 meter.
      C. 5,27 meter.
      D. 2,18 meter.

pag 125: vraag 42: antwoord B (niet C)
pag.125: vraag 43: laatste zin: “Als u om 10 uur vertrekt, wanneer komt u aan in Menen?”
pag 125: vraag 45: vervang “sluis 10” door “sluis 11”.
pag 125: vraag 46: vervang “sluis 10” door “sluis 11”.
pag 176: vraag 6: antwoord A (niet D)
pag 176: vraag 11: vervang antwoord A door: “met een vetblusser”
pag 177: vraag 20: vervang antwoord C door: “De lage prijs.”
pag 180: vraag 63: volledig vervangen door
Wat is het voordeel van een poederblusser t.o.v. een schuimblusser?
      A. Te gebruiken op personen.
      B. Geschikt om C-branden te blussen.
      C. Vrijwel geen nevenschade.
      D. Kleine kans op herontsteking.

Vragen bijvoegen

Pag 121:

37   De VHF-marifoon aan boord
      A. heeft weinig nut voor de pleziervaart,

      B. draagt in grote mate bij tot de veiligheid van de pleziervaart,
      C. is alleen nuttig om probleemsituaties te vermijden,
      D. is voor verplicht voor alle schepen.

Antwoord = B

Pag 175:
27   Als u op de binnenwateren een vaartocht voorbereidt, dan raadpleegt u het weerbericht
      A. altijd,

      B. alleen bij harde wind,
      C. alleen als u meerdere dagen wegblijft,
      D. alleen bij mist of nevel.

Antwoord = A

28   Het heeft enkele dagen aan één stuk hard geregend. Welke uitspraak is juist?
      A. Er komt een lange periode van droogte.

      B. U kunt vlotter sluizen passeren.
      C. Het waterpeil is hoger en het debiet is toegenomen.
      D. Er komt nu gegarandeerd mooi weer.

Antwoord = C

Pag. 181:

90   Moeten alle pleziervaartuigen een tweede voortstuwingsmotor aan boord hebben
      A. Neen, er moet alleen een reservevoortstuwingsmiddel zijn, conform vaarweg en vaartuig.

      B. Ja, altijd.
      C. Neen, alleen in het geval van een buitenboordmotor.
      D. Neen, alleen in het geval van kleine motorschepen.

Antwoord = A

91   Op welk vaartuig moet er een anker met ten minste 10m touw aan boord zijn?
      A. Op elk klein motorschip.

      B. Op elk klein schip met romplengte >7m.
      C. Op elk klein motorschip met romplengte >7m.
      D. Op elk motorschip.

Antwoord = C

Pag. 186:

69   U heeft een binnenboordmotor met indirecte koeling aan boord. De temperatuur van het koelwater
      A. moet tussen 80°C-90°C liggen,

      B. moet tussen 60°C-90°C liggen,
      C. moet tussen 50°C-60°C liggen,
      D. moet tussen 40°C-70°C liggen.

Antwoord = A

 

Vragen aanvulling Algemeen Stuurbrevet

pag 59: vraag 50: A vervangen door “B is een vaartuig bezig met de loodsdienst.”
pag 61: vraag 72: antwoord C (niet B)
pag 62: vraag 77: antwoord C (niet D)
pag 63: vraag 91 volledig vervangen door
De nevenstaande lichtencombinatie is niet mogelijk voor
      A. een werktuiglijk voortbewogen vaartuig, korter dan 12 meter, vooraan gezien,
      B. een werktuiglijk voortbewogen vaartuig, korter dan 20 meter, vooraan gezien,
      C. een werktuiglijk voortbewogen vaartuig, korter dan 7 meter, vooraan gezien,
      D. een klein werktuiglijk voortbewogen vaartuig, vooraan gezien.

pag. 63: vraag 92: de antwoorden vervangen door
      A. Een werktuiglijk voortbewogen vaartuig, korter dan 50 meter, aan bakboordzijde gezien.
      B. Een werktuiglijk voortbewogen vaartuig, ten anker en aan bakboordzijde gezien.
      C. Een werktuiglijk voortbewogen vaartuig, korter dan 20 meter, aan bakboordzijde gezien.
      D. Een werktuiglijk voortbewogen vaartuig, varend naar rechts, lengte onbekend.

pag. 63: vraag 94:
Antwoord A vervangen door: “Een zeilvaartuig van 12 meter, voor anker.“

pag 68: vraag 143: antwoord A (niet B)
pag. 69: vraag 166: antwoord C vervangen door: Een lange stoot en twee korte, gevolgd door één lange en drie korte stoten, om de twee minuten.
pag 70: vraag 171: antwoord D (niet C)
pag 72: vraag 19: antwoord B (niet A)
pag 88: vraag 15: de antwoorden vervangen door
      A. Een sleepboot die alleen een schip assisteert
      B. Een schip bezig met werken aan de vaargeul.
      C. Een sleepboot die samen met een andere sleepboot een schip assisteert.
     D. Een vaartuig bezig met de treilvisserij, aan bakboordzijde.

pag 92: vraag 64: antwoord A vervangen door:
Alleen schepen groter dan 20 meter.

pag 93: vraag 76: antwoord C (niet B)
pag 94: vraag 86: antwoord A (niet C)
pag 95: vraag 99: antwoord B (niet A)
pag 95: vraag 100: antwoord B (niet D)
pag 96: vraag 105: antwoord B (niet A)
pag 96: vraag 4: antwoord B (niet A)
pag 97: vraag 13: antwoord A (niet C)

pag 101: vraag 22: antwoord A (niet D)

pag 101: vraag 24: de antwoorden vervangen door

  1. zone 2,
  2. zone 3,
  3. zone 4,
  4. zone 1.

pag 133: vraag 88: Vervang in de vraag “LW” door “HW”

pag 133: vraag 90: Vervang in de vraag “LW” door “HW”

pag 135: vraag 118 antwoord B (niet C)

pag 143: vraag 33 antwoord B vervangen door: “Het AIS-systeem moet verbonden zijn met een radar.”

pag 143: vraag 38 antwoord B (niet C)

pag 149: vraag 64 antwoord D vervangen door “8,95 zeemijl”

pag 153: vraag 107 antwoord C (niet A)

pag 155: vraag 140 antwoord C vervangen door “286°”.

pag 156: vraag 155 antwoord B (niet A)

pag 195: vraag 44 antwoord D (niet C)

pag. 203: vraag 8: vervang de woorden “gasdetector” door “gaslekverklikker”.

pag 207: vraag 3 antwoord A (niet B)

pag 207: vraag 9: vervang in antwoord D het woord “diesel” door het woord “benzine”.

 

Leerboeken Yachtman - editie 2020

Boek 1

Pag 29, 1.4.9: laatste regel

Vervangen door “Het dagmerk is een groene bol, voor zowel een vrijvarende als voor een niet-vrijvarende veerpont”

Pag 35, 1.5.7: vervang tekst in het grijze blok door:

Een sleepboot moet tonen
de twee boordlichten;

1 toplicht;
één extra toplicht, loodrecht onder het reeds aanwezige toplicht op het voordek;
een geel sleeplicht.

Het gesleepte schip moet tonen
een rondom zichtbaar wit licht;

indien de sleep >110m, dan twee rondom zichtbare lichten, één op het voordek en één op het achterdek;
het laatste schip van een sleep toont ook een heklicht. 

Pag 38, 1.5.15: regel 6

vervangen door “Een drijvend werktuig is een schip, maar toont geen vaarlichten”

Pag 38, 1.5.15: middelste tekening: wit licht rechts verwijderen.

Pag 90, 3.2.2: kolom1, in onderste grijze kader: laatste 2 regels schrappen.

Pag 118, klein motorschip (of roeiboot) versus klein zeilschip. 6.07.2a: (tekening is fout)

Tekst pagina 27 is correct

Pag 88, 3.1.3: stroomopwaarts

“ter hoogte van de Royerssluis” vervangen door
“het verlengde van de lijn getrokken door de twee richtingspalen gelegen op ongeveer één kilometer stroomopwaarts van het zuidelijk uiteinde der kaden van Antwerpen”

Boek 2

Pag 21, 2° kolom, vraag 2. Comines vervangen door Menen.

Pag 74, 2° kolom vervangen door:

Hoe gaan we te werk?
Dover is de Standard Port waarmee we Ramsgate vergelijken.

Onder time differences staan de verschillen in tijd (voor HW en LW) tussen de Standard Port en de Secondary Port. Waarom telkens twee kolommen? Laat ons dit eerst even vergeten. Trouwens voor Ramsgate staan in de twee HW kolommen toch dezelfde getallen, nl. +0020. Ook staan in de twee LW kolommen ook dezelfde getallen,  -0007. Dit betekent:

HW Ramsgate = HW Dover + 20 minuten.
LW Ramsgate = LW Dover - 7 minuten.

  1. Hoe laat is het HW in Ramsgate op 5 september ('s middags)?

HW Dover = 13u02 (UT)
HW Ramsgate = 13u02 + 0u20 = 13u22

  1. Hoe laat is het HW in Dungeness op 5 september ('s middags)?

Indien het HW Dover om 12 uur is (0000 and 1200), dan is het HW te Dungeness 10 minuten vroeger.
Indien het HW Dover om 6 uur is (0600 and 1800), dan is het HW te Dungeness 15 minuten vroeger.

Indien HW Dover om12 uur zou zijn: dan Dungeness - 10 minuten
Indien HW Dover om18 uur zou zijn: dan Dungeness - 15 minuten

HW Dover is om 13 uur (afgerond).
Dit is in de tijd 1/6 van (18 - 12) na 12 uur.
We interpoleren het tijdsverschil.
1/6 van (15 - 10) is 50 seconden, afgerond 1 minuut.
HW Dover is om13 uur: dan Dungeness - 11 minuten
HW Dungeness = 13u02 - 11 minuten = 12u51.

Onder height differences staan de verschillen voor de rijzingen bij HW en LW, zowel voor de dag van springtij als voor de dag van doodtij.

Voor hoogwater
Als rijzing Dover 6,7m (MHWS) is, dan is de rijzing Ramsgate -1,8m.

Als rijzing Dover 5,3m (MHWN) is, dan is de rijzing Ramsgate -1,5m.
Als de rijzing Dover tussen 6,7m en 5,3m ligt, dan moeten we interpoleren.

Voor laagwater
Als rijzing Dover 2,0m (MLWN) is, dan is de rijzing Ramsgate -0,8m.

Als rijzing Dover 0,8m (MLWS) is, dan is de rijzing Ramsgate -0,4m.
Als de rijzing Dover tussen 2,0m en 0,8m ligt, dan moeten we interpoleren.

Pag 75, 1° kolom vervangen tot micro-woordenlijst door

Wat is de rijzing eerste HW voor Ramsgate op 5 september?
Als rijzing HW Dover 6,7m, dan voor Ramsgate 1,8m minder.

Als rijzing HW Dover 5,3m, dan voor Ramsgate 1,5m minder.
De rijzing HW Dover is 6,3m.
Dus interpoleren!

(6,7m - 5,3m) komt overeen met (1,8m - 1,5m) minder.
1,4m komt overeen met 0,3m minder.
1m komt overeen met 0,3m:1,4 minder.
(6,7m - 6,3m) = 0,4m komt overeen met 0,3mx0,4:1,4 = 0,1m

Rijzing HW Dover is 6,3m, dan Ramsgate (1,8m - 0,09m) minder.
Rijzing HW Ramsgate: 6,3m - 1,7m = 4,6m.           

Wat is de rijzing LW voor Ramsgate op 5 september in de ochtend?
Als rijzing LW Dover 2,0m, dan voor Ramsgate 0,8m minder.

Als rijzing LW Dover 0,8m, dan voor Ramsgate 0,4m minder.
De rijzing LW Dover is 1,2m.
Dus interpoleren!

(2,0m - 0,8m) komt overeen met (0,8m - 0,4m) minder.
1,2m komt overeen met 0,4m minder.
1m komt overeen met 0,4m:1,2 minder.
(2,0m - 1,2m) = 0,8m komt overeen met 0,4mx0,8:1,2 = 0,26m
Rijzing LW Dover is 1,2m, dan Ramsgate (0,8m - 0,26m) minder.
Rijzing HW Ramsgate: 1,2m - 0,54m = 0,66m.

Het opzoeken van de getijgegevens voor een secondary port is examenstof yachtman (niet voor stuurbrevet)!

Pag 75, 2° kolom vervangen tot 3.4.1 door

1. Hoe diep is het in een Standard Port (St.P) bij HW of LW?
2. Hoe diep is het in een Secondary Port (Sec.P) bij HW of LW?
3. Diepte in St.P op een willekeurig tijdstip? Regel van 12.
4. Diepte in St.P op een willekeurig tijdstip? Getijkromme.
5. Wanneer is er in een St.P een opgegeven diepte? Regel van 12.
6. Wanneer is er in een St.P een gegeven diepte? Getijkromme.
7. Diepte in Sec.P op willekeurig tijdstip? Regel van 12.
8. Diepte in Sec.P op willekeurig tijdstip? Getijkromme.
9. Wanneer is er in een Sec.P een gegeven diepte? Regel van 12.
10. Wanneer is er in een Sec.P een gegeven diepte? Getijkromme.

Voor het examen aanvulling Algemeen Stuurbrevet moet u 1, 3, 5 kennen. Maak voor elke oefening een schets van een getijkromme, met de verschillende begrippen erin vermeld.

Teken de bodem, het wateroppervlak en het reductievlak.
Breng eventuele tijden aan op de horizontale as.
Noteer kaartdiepte, rijzingen en verval.

Pag 80, keerrechte voor Ramsgate moet onderaan beginnen bij 0,5m (niet 1m).

Pag 123, 1° kolom: bijvoegen: CPA = Closest Point of Approach en tCPA = time to CPA.

Pag 131, 1° kolom: stroomvector voor het tweede uur:

vervangen    Op 2 dagen neemt de stroomsnelheid (2,3-1,3)x2/6 = 0,3 kn af.

Pag 164, oefening 5. Datum = 15 januari.

 

Boek 3

Pag 20, 1.2.2: 4° paragraaf

Op het noordelijk halfrond geldt dan:
Rond een kern van lage luchtdruk L, waait de wind spiraalsgewijs naar de kern en tegen de wijzers van de klok.
Rond een kern van hoge luchtdruk H, waait de wind spiraalsgewijs van de kern weg en volgens de wijzers van de klok.

Pag 45, 1.8.5

De Tramontana is een droge noordwestenwind

Pag 46, kolom 2, alinea 8: Op Belgische en Duitse weerkaarten tekent men de isobaren op een onderlinge afstand van 5 hPa. Op de Engelse Bracknell kaarten is dit 4 hPa.

Aanvulling EHBO – stabiele zijligging

Als voorlaatste punt: bijvoegen

“Kantel het hoofd voorzichtig achteruit en draai de mondhoek naar beneden (zeer belangrijk).”

Aanvulling EHBO – brandwonden

Geef een slachtoffer met zware brandwonden niets te eten of te drinken.

Er is een verschil in eerste hulp tussen een brandwonde door hete thee of door een bijtende stof.
Een brandwonde door een bijtende stof moet u langer koelen/spoelen en u moet uzelf extra beschermen.

Een bemanningslid heeft de hand verbrand door hete stoom bij het afgieten van de aardappelen.
Spoel en koel extra onder eventuele ringen. Verwijder deze indien mogelijk.

Bij een verbranding van het oog door accuzuur,  spoelt u het oog met lauw stromend water.

Aanvulling EHBO – shock

Een grote verbrande oppervlakte, ernstige diarree, braken kunnen oorzaken van shock zijn.

Bij shock voelt de huid koud en klammig aan.
Het slachtoffer is bleek, zweet en voelt zich onrustig, slap en krachteloos.

Rillen bij shock is niet goed, want het lichaam verbruikt zuurstof en die is hard nodig voor de vitale organen.

Welk verbandmateriaal gebruikt u bij voorkeur bij een gesloten brandwonde? Witte watten.

Hoe legt u een zwachtelverband aan? In  de richting van de vingers of tenen naar het hart toe.

Waaruit bestaat een snelverband (ook noodverband of drukverband genoemd)?
Een zwachtel en een absorberend kompres.

Een slachtoffer klaagt over een licht gevoel in het hoofd, ziet wazig, trilt en zweet. Als u met het slachtoffer praat, reageert die geagiteerd. Deze symptomen duiden op een lage bloedsuiker.

Na contact met een kwal uit de Noordzee spoelt u de huid met zeewater en dompelt ze dan onder in warm water (max 45 graden).

Een bemanningslid valt met de borstkas op de kuiptafel. Controleer of het slachtoffer goed reageert en normaal ademt.

De dag voor u ging varen heeft u een stevige natuurwandeling gedaan. Aan boord stelt u vast dat een teek zich heeft vastgebeten in uw kniekuil. Trek de teek recht uit de huid, bij voorkeur met een speciale tekentang.

U legt u een bewusteloos slachtoffer met een open borstletsel (zonder voorwerp in) op de gewonde kant.

Na een val van een trapje kan een slachtoffer de linker enkel niet meer bewegen. De enkel is pijnlijk en gezwollen, steunen op die voet is niet mogelijk. Dit duidt op een kneuzing, een botbreuk of een ontwrichting.

Bij een open zuigende borstwonde (zonder voorwerp in de wond) drukt u met uw handen (handschoenen!) op de open wonde.

Een bemanningslid is vier meter diep uit de mast gevallen. Laat het slachtoffer liggen zoals u die vindt.

Controleer of het slachtoffer reageert en normaal ademt. Vermijd beweging van hoofd en hals indien het slachtoffer zich hier niet tegen verzet. Alarmeer gespecialiseerde hulp.

Bij een vermoeden van hersenschudding laat u het slachtoffer rustig zitten en blijft u het slachtoffer goed observeren.

Als iemand een stuk van een vaatwastablet heeft ingeslikt en u niet onmiddellijk gespecialiseerde hulp kan raadplegen, spoel dan de mond met water.

Als een stuk glas nog in een wonde zit laat u de glasscherf zitten en verbindt de wonde voorzichtig zonder druk op de glasscherf.

Een bemanningslid wordt ziek. Wat doet u eerst? Het slachtoffer naar midscheeps brengen.

  

Aanvulling aanmeren in een sluis met zijwind

Als u  een sluis met hoge muren binnenvaart kan een forse dwarswind u parten spelen. U vaart een sluis in waarvan de muren 6 meter hoog zijn. Er staat een harde wind van stuurboord. Welk effect heeft de wind op uw schip als u in de sluis vaart? Doordat de wind aan de wand wordt teruggekaatst zal die op het schip op de bakboordkant invallen. U wordt naar stuurboord geblazen.

  

Aanvulling brandbestrijding

Met een schuimblusser kun je A en B branden blussen. De blusser is gevuld met water en schuim, een substantie die voor een verkoelende werking zorgt. Doordat het zo licht is van gewicht is schuim zeer geschikt om vloeistofbranden te blussen omdat het erop blijft liggen, en bij vaste stoffen blijft schuim eraan plakken om op die manier ook de verbrandingsreactie weg te nemen door afsluiting van zuurstof. Het is niet schadelijk voor het milieu.

De sproeischuimblusser is een variant op de schuimblusser en is geschikt om apparatuur onder spanning van maximaal 1000 V te blussen. Veel schuimblussers zijn tegenwoordig al sproeischuimblussers. Schuimblussers zijn er ook in vorstbestendige varianten. Er bestaan speciale vetbrandblussers op basis van schuim.

Voordelen schuimblusser ten opzichte van poederblusser

Vrijwel geen nevenschade.

Gemakkelijk opruimen met water.

Kleine kans op herontsteking.

Te gebruiken op personen.

Nadelen schuimblusser ten opzichte van poederblusser

Niet geschikt om gasbranden (C) mee te blussen.

Duurder in aanschaf.

Niet vorstbestendig.

 

Het aantal brandblussers dat aan boord moet zijn wordt vermeld in de handleiding van de constructeur van het schip.

 

Brandpreventie      

Elektrische installatie

Zorg ervoor dat de elektrische installatie zwaar genoeg is om kortsluiting te vermijden. Slechte elektrische verbindingen hebben een grote weerstand. Daardoor kunnen ze warm worden en kan de isolatie smelten. Dit kan kortsluiting tot gevolg hebben.

Om de elektra aan boord te beschermen tegen kortsluiting heeft u zekeringen nodig. Met zekeringen voorkomt u brand door kortsluiting  en onherstelbare schade aan de apparatuur.

 

Aanvulling Registratie

U installeert een nieuwe motor aan boord van uw schip. Dan moet u een nieuw registratiedocument aanvragen.

Aanvulling stroom en wind tegen

Indien de wind met de getijstroom mee loopt vlakt deze het water af. Het wordt als het ware gestrekken.
Bij wind tegen de getijstroom krijg je een knobbelige zeetje omdat de wind de golven opduwt.
Op de grote rivieren of langs de kust kan dit de beslissing om uit te varen beinvloeden, zeker voor kleinere boten.

Golven hebben in het midden van een geul de volle stroom tegen. Aan de randen stroomt het water veel langzamer. Hierdoor buigen de golven af naar het midden. Het gevolg is dat in het midden van de geul veel hogere en steilere golven voorkomen, die niet passend zijn bij de heersende windkracht.

De Schelde ligt voor Antwerpen in de noord-zuidrichting. Ca. 30 minuten na HW kentert de stroming en gaat richting Nederland, richting noord lopen. Dit gedurende ca. 6 uren. De eerste 3 uren neemt de stroomsnelheid toe, bereikt 3 uur na kentering een maximum en gaat dan de volgende 3 uren terug afnemen. Hoe laat vaar je daar best niet als het om 10 uur HW is? Er staat een noordenwind, 6 Beaufort.

HW = 10 u, kentering = 10u30. Om 13u30 is de stroming richting zee, richting noord, het grootst. Een noordewind komt uit het

noorden, waait naar het zuiden. Het is wind tegen stroom.
Om 13u30 zullen er de steilste en grootste golven zijn.

Correcties leerboek Maritieme Communicatie - editie 2020

VHF

Pag 28

1.   27-85 Werkkanaal van Oostende Radio, vervangen door

07             Werkkanaal van Oostende Radio
Andere kanalen die Oostende Radio kan gebruiken zijn 64, 78 en 81.

2.   Schrappen

23             Marina-kanaal
Dit dient voor gesprekken met jachthavens.

Pag 30

Kanaal 31: tekst vervangen door

Dit kanaal wordt in Nederland én België gebruikt voor gesprekken tussen de jachthavens en de pleziervaart.

Pag 31

Bijvoegen:

Nieuw

Vanaf 1 januari 2023 mogen de kanalen 24 - 25 - 26 - 84 - 85 - 86 niet meer gebruikt worden voor analoge spraakcommunicatie. Zij moeten op de marifoon geblokkeerd worden.

Bovengenoemde wijzigingen gaan in vanaf 1 januari 2023.

Correcties oefenboek Maritieme Communicatie - editie 2020

Pag 4, vraag 40: de eerste a als antwoord schrappen.

Pag 5, vraag 51: d vervangen door “20 en 10”

Pag 6, vraag 60: bij de antwoorden het woord “charlie“ bijvoegen.

Pag 22, vraag 81: het woord “symbool” vervangen door “signaal”.

Pag 29, vraag 182:  antwoord moet “a” zijn.

Pag 34, vraag 256:          a    16.       vervangen door      a    21

Pag 35, vraag 263:  antwoord moet “d” zijn.

 

Errata – het Grote Oefenboek aanvulling yachtman – editie 2023

Als er een kaart vermeld wordt in de opgave: 2046 vervangen door 5046.

Pag. 10: vraag 5: antwoord D (niet B).

Pag. 10: vraag 6: de vraag vervangen door “Welke vaartuigen, behalve kruisende vaartuigen, mogen de scheidingszone van een verkeersscheidingsstelsel binnenvaren en er in varen?”

Pag. 10: vraag 7: de vraag vervangen door: In welke omstandigheden toont een luchtkussenvaartuig zonder waterverplaatsing het gele flikkerlicht?

Pag. 10: vraag 7: antwoord A (niet B).

Pag; 15: vraag 57: antwoord D vervangen door ‘een schip dat voor anker ligt’.

Pag. 15: vraag 66: 2° “B” moet “C” zijn.

Pag. 19: vraag 106:  antwoord C vervangen door: “B wijkt uit naar stuurboord en A behoudt koers en vaart.”

Pag. 20: vraag 113: antwoord B (niet C).

Pag. 24-25: vragen 12-15 en 18-22: in de vraag bijvoegen “Een foutmarge van 2 minuten is toegelaten.“

Pag. 25-26: vragen 16-17 en 23-26 en 30-35: in de vraag bijvoegen “Een foutmarge van 0,1 meter is toegelaten.”

Pag. 25: vraag 17: antwoord D (niet B).

Pag. 26: vraag 33: antwoord B (niet C).

Pag. 29: vraag 12: vraag vervangen door: Een gele boei ZC1 bakent de zijkant af van het verkeersscheidingsstelsel. Schepen varen hier in de verkeersbaan van zuidwest naar noordoost. Welke boei had daar ook kunnen liggen?

Pag. 31: vraag 21: antwoord is B (niet D).

Pag. 32: vraag 23: “3D” vervangen door “2D”.

 

Voor alle vragen waar de deviatie niet is vermeld:

  1°: bijvoegen: onderstaande deviatietabel gebruiken.

  2°: bijvoegen: Foutmarge van 2° toegelaten.

 

Pag. 36: vraag 52: bijvoegen KV = 326°.

Pag. 43: vraag 113, 114 en 115: bijvoegen: oversteken richting Frankrijk.

Pag. 46: vraag 127: antwoord is D (niet C).

Pag. 46: vraag 130: variatie 1°W, deviatie 2°W.

Pag. 52: vraag 14: antwoord is C (niet B).

Pag. 53: vraag 25: correctie 3° zin in de vraag: “U moet ca. 10 minuten wachten.”

Pag. 53: vraag 27: antwoord is A (niet D).

Pag. 54: vraag 9: antwoord is A (niet C).

Pag. 54: vraag 10: antwoord is A (niet C).

Pag. 55: vraag 14: antwoord D vervangen door “SAE20”.

Pag. 57: vraag 29: antwoord D (niet A).

Pag. 58: vraag 50: antwoord D vervangen door “het sublimatiepunt”.

Pag. 66: vraag 156: antwoord B (niet D).

Pag. 68: vraag 188: in de vraag bijvoegen “zonder overstag te gaan”.

Pag. 74: vraag 254: antwoord is C (niet B).

Pag. 78: vraag 04: antwoord is B (niet A).

Pag. 81: vraag 45: antwoord is B (niet C).

Pag. 105: bij getij en stroom: antwoorden vanaf 62 t/m 108 verwijderen.